Ede

×

indebuurt categorieën

Meer indebuurt

Service

Kees was jarenlang petroleumboer in Ede en maakte een retro pompstation aan de Broeksteeg

Door Hanneke van Olst 14 juli 2020

Het lijkt een scène uit een film. Aan de Broeksteeg in Ede waan je je als fietser opeens op route 66. Midden in een weiland staat een knalrode Opel Blitz voor een retro Esso pompstation uit de jaren zestig. Trotse eigenaar is Kees Slemmer (78).

Zo’n 21 jaar lang bracht Kees petroleum aan de man in Ede en omstreken. Eerst met een transportfiets en een paardenkar, later met de Opel Blitz. “Mijn buurman vroeger aan de Kraatsweg, J.W. Jansen, was petroleumboer. Als jonge jongen ben ik bij hem in dienst gekomen.” Twaalf jaar werkte de twee samen, tot Jansen 65 werd en Kees het goedlopende bedrijf over nam.

Retro pompstation

In een open schuur achter zijn huis staat de fiets waar hij als jochie mee langs de deuren ging. In een krat voorop de jerrycans voor de petroleum. Tientallen petroleumkacheltjes sieren de planken langs de wanden. “Ik heb er een zwak voor, sommige zijn nog van klanten, andere heb ik op rommelmarkten op de kop getikt.”

Een bloeitijd voor de oliehandel

Petroleum werd vroeger gebruikt voor olielampen, om te koken en voor het aanmaken van de kachel. De jaren vijftig/zestig waren een bloeitijd voor de oliehandel. “Iedereen had een olie-kachel. We verkochten zo’n 20 tot 30.000 liter in de week”, zegt Kees.

In 1973 bracht de oliecrisis een kink in de kabel. Nederland ging massaal aan de gaskachels, de vraag naar petroleum liep razendsnel terug. “Ik heb het nog heel even volgehouden en ben in 1974 een varkensfokkerij begonnen.” De boerderij aan de Broeksteeg is geen varkensfokkerij meer. Kees’ zonen runnen er nu een handelsonderneming, gespecialiseerd in trilplaten en sleuvenstampers.

Klein museum

De ruimte om zijn huis heeft Kees ingericht als klein museum. Zo staan er twee authentieke hondenkarren, met op de zijkant ‘De Automaat’. “De naam van de maatschappij die ons de petroleum leverde, een voorloper van Esso”, zegt Kees. Zelf ging hij er de deuren niet mee langs. “Nee, die karren waren van voor mijn tijd, nog voor de oorlog. In 1920 reden er in Nederland nog 250 van rond.”

De eerste jaren ventte Kees met paard en wagen waarop de jerrycans stonden. Jansen had een tank in de grond waar 6000 liter in kon. “Door aan het wiel van de pomp te draaien, kwam er vijf liter omhoog. Voordat we op pad konden, moesten we ons eerst in het zweet werken.”

Sneetjes brood voor het paard

Daarna ging het door weer en wind langs de huizen in Ede. “Ook als het sneeuwde. Dan zetten we het paard op scherp, door stiften in de hoefijzers te draaien.” Het paard kende de route uit zijn hoofd. “Hij wist precies waar hij een sneetje brood kreeg.”

Kees’ ogen glimmen als hij over die tijd vertelt. Een ‘pracht vak’ noemt hij het: “Je kwam bij iedereen door de achterdeur. Was de klant niet thuis dan liep je naar het aanrechtkastje, waar de bussen klaar stonden.” Kees laat zijn oude klantenboekje zien. Bladzijden vol met adressen in piepkleine letters en het geleverde aantal liters. “20 cent voor een liter.” Op de pof leveren deed Kees ook. “Dan betaalden ze de zomer door, dat trok de winter weer recht.”

Elektrische pomp

In de jaren zestig kwam de elektrische pomp. “Veel gemakkelijker.” In de Opel Blitz kon Kees 1000 liter meenemen. Het vullen van de tanks bij de klant, hoefde niet langer met jerrycans, maar ging met een slang. Niet alle klanten geloofde Slemmer op zijn blauwe ogen. “Terwijl ik eerder te veel dan te weinig gaf.” Een klant aan De Reehorsterweg wilde per se dat haar tank gevuld werd met jerrycans en niet met de slang. “Dan wist ze zeker dat ik haar niet bedroog.” Kees legde uit dat de slang veel nauwkeuriger was, maar de klant bleef koppig. De 160 liter moest er vanuit jerrycans in, acht bussen.

“Ik zette ze na afloop altijd op een rij, zodat ze kon zien hoeveel ik erin had gedaan. Op een dag liet ik er twee volle bussen tussen staan. Ze keek tevreden naar de rij en rekende af.  Die twee bussen heb ik er toen alsnog ingedaan en ik zei: de volgende keer doe ik het met de slang, dan kan ik niet rommelen.”

Toch was het niet altijd een plezierig beroep. De winter van 1973 staat in zijn geheugen gegrift. “Iedereen wilde olie hebben. Ik bleef maar nee verkopen, want kreeg zelf amper geleverd. Vreselijk vond ik het dat ik de mensen niet kon helpen.”

De winter van ‘73

In het glazen kantoortje van het Esso benzinestation, zelf gebouwd aan de hand van een origineel exemplaar, staat een pop in het uniform van de maatschappij. “Zo liep ik erbij”, zegt Kees niet zonder trots. In de zomer stoppen er regelmatig fietsers bij de boerderij. Nieuwsgierigen die even komen kijken wat er allemaal te zien is. “Ze zijn welkom, ik vertel er graag over.” Fiets jij hier langs? Neem dan zeker even een kijkje!

Dit artikel is geschreven door Erika van Gils voor De Gelderlander

Lees ook:

Toen in Ede: er nog een tankstationnetje aan de Arnhemseweg zat (video)

Sinds een paar maanden heeft de Arnhemseweg een nieuwe look. De straat is een tijdlang afgesloten ge...

Toen in Ede: de huizen nog verlicht werden met gas uit de Gasfabriek

Een van Edes meest opvallende gebouwen staat naast het spoor van het Kippenlijntje: de Gasfabriek. E...

adv.