Albert (69) is imker: ‘Dankzij de bij kun jij genieten van chocola’

Door Iris Olsthoorn 23 april 2019

Op de Laurentius Praktijkschool in Delft loopt één leraar rond die een stukje ouder is dan de rest. Albert Kerklaan (69) is eigenlijk allang met pensioen. Toch is hij nog bijna iedere dag op school te vinden. Hij verzorgt er zijn bijen én leert het imkervak aan een klein groepje leerlingen. “Het is heel leuk als een leerling bang binnen komt, maar enthousiast weggaat.”

Zo’n dertig jaar geleden begon Albert met het imkeren. “Mijn zwager werkte bij de Botanische tuin van de TU en daar wilden ze bijenkasten. Dat hebben we toen samen opgezet. Zo is het balletje gaan rollen,” vertelt Albert. Inmiddels heeft de imker een heleboel kasten staan, van Zoetermeer tot Schipluiden. In Delft is hij behalve op de Laurentius Praktijkschool ook te vinden in de Delftse Hout, bij het World Art centrum en (natuurlijk) nog steeds in de botanische tuin. “En het leuke is: iedere kast en ieder volk is weer anders.”

Elke honing smaakt anders

Na dertig jaar met bijen werken, weet Albert als geen ander hoe het beestje in elkaar steekt. “Bijen zijn ontzettend bijzonder. In één volk kunnen ’s zomers tienduizenden bijen zitten. Toch hebben ze nóóit ruzie en iedere bij weet precies wat haar taak is”, vertelt hij. “Eén volk is eigenlijk te zien als één dier. Een hond bijvoorbeeld. Ze hebben hun eigen karakter en de honing van ieder volk smaakt ook anders, net als bij wijn van verschillende druivensoorten.”

Op de school aan de Kappeyne van de Coppellostraat heeft Albert een hele rits kasten staan. Zo’n zes leerlingen krijgen één keer per week les over hoe je zo’n kast onderhoudt. “Men denkt vaak dat je als imker vooral bezig bent met honing in potjes te stoppen. Maar de honing is eigenlijk maar bijzaak. vertelt Albert. “Wat veel belangrijk is, is dat bijen door bestuiving zorgen dat wij een heleboel groentes en fruit kunnen eten. Een groot deel van de groentes bij de groenteboer komt van een plant die bestuiving nodig heeft. Dankzij bijen kunnen we lekkere dingen maken zoals ijs en chocolade. Daar staan heel veel mensen niet bij stil.”

Tekst loopt door onder de afbeelding 

Het gaat niet zo goed met de bij

En dat is zonde, want het gaat niet zo goed met de honingbij. “Met alle insecten, trouwens. Weet je nog dat je vroeger soms elke dag je voorruit van je auto schoon moest vegen omdat het vól zat met vliegjes? Dat is er nu niet meer bij. Er is steeds minder diversiteit in planten en er worden verkeerde insecticiden gebruikt.” En juist daarom vindt Albert het belangrijk om kinderen al jong kennis te laten maken met de bij. “De meeste leerlingen die ik les geef, zijn in het begin bang voor bijen. Dat komt door onwetendheid, omdat veel mensen het verschil tussen bijen en wespen niet kennen. Een bij zal nóóit zomaar steken, alleen als zij in gevaar is. Vaak slaat die angst in mijn les al snel om naar enthousiasme.” En of Albert zelf al vaak is gestoken door een van zijn bijen? “Het hoort erbij. Maar ik heb meer last van een brandnetelsteek.”

Ook buiten de school ziet Albert dat het langzaam maar zeker beter worden voor de bij. “Ik durf nog niet te zeggen dat we op de goede weg zijn, maar we hebben de wind mee. Het zijn kleine dingen als zelf zaadbommetjes strooien of een stoeptegel uit je straat halen voor wat groen. Zolang het besef maar groeit dat we insecten nodig hebben.” Ook gemeentes kunnen wat Albert betreft een grote rol spelen in het welzijn van de bij. “Door groen en bloemenvelden aan te leggen en te zorgen dat openbaar groen niet met giftige stoffen behandeld wordt. Delft is oké bezig, maar het kan natuurlijk altijd beter”, besluit Albert.

adv.